Het Nederlands is nauw verwant aan het Engels en Duits, en wordt tussen beide geplaatst. Naast het feit dat het Nederlands de Hoogduitse klankverschuiving niet heeft ondergaan, verschilt het Nederlands – net als het Engels – verder ook van het Duits door de sterke reductie van de naamvallen, de algemene zeldzaamheid van de Germaanse umlaut en een meer regelmatige morfologie. Het moderne Nederlands heeft in oorsprong drie grammaticale geslachten, waarvan er twee in de praktijk grotendeels samenvallen (de de-woorden). Bijgevolg speelt het grammaticale geslacht een kleinere grammaticale rol dan in het Duits. De Nederlandse woordvolgorde is onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp (SVO) in hoofdzinnen maar past, net als in het Duits, inversie toe in bijzinnen (SOV). Het Nederlands kent een hoofdzakelijk Germaanse woordenschat, in grotere mate dan het sterk geromaniseerde Engels, maar aangevuld door een grotere Romaanse component dan in het Duits.
[bewerken]
